
Jurisprudentie
AV3346
Datum uitspraak2006-02-23
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/541 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/541 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Causaal verband tussen longklachten en de internering gedurende de eerste drie maanden in het kamp.
Uitspraak
05/541 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 29 december 2004, kenmerk CR 1833/2004/, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom hij het met het bestreden besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 12 januari 2006. Aldaar is eiser in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die geboren is op 4 april 1946 in het Indonesische interneringskamp te Soemobito in het voormalige Nederlands-Indië alwaar hij met zijn moeder verbleef tot hun evacuatie op 18 juni 1946, zich op 27 maart 2002 tot verweerster gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om in aanmerking te komen voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en om een periodieke uitkering. Dit verzoek van eiser is bij besluit van 19 september 2002 afgewezen op de grond dat bij eiser geen sprake is van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit ten gevolge van zijn internering. Een door eiser te laat ingediend bezwaar is door verweerster - voor zover thans nog van belang - bij besluit van 12 juni 2003 niet ontvankelijk verklaard.
Met zijn uitspraak van 13 mei 2004, geregistreerd onder nummer 03/3574 WUBO en 03/5065 WUBO, heeft de Raad het door eiser ingestelde beroep, gericht tegen verweersters besluit van 12 juni 2003, gegrond verklaard. De Raad heeft verweersters voornoemde besluit vernietigd en tevens bepaald dat er termen zijn de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten en dat verweerster een nieuw besluit diende te nemen op het tegen het besluit van 19 september 2002 ingediende bezwaarschrift. Dit brengt met zich dat verweerster bij het nemen van een nieuw besluit heeft uit te gaan van een inhoudelijke toetsing met betrekking tot de causaliteitsbeoordeling van eisers longklachten.
Gevolg gevend aan ’s Raads vorengenoemde uitspraak hebben twee geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad van advies gediend. In deze adviezen komt naar voren dat het door hen niet nodig werd gevonden om een expertise te vragen aan een onafhankelijke longarts.
Verweerster heeft in het voetspoor van genoemde adviezen van haar geneeskundig adviseurs en met in achtneming van hetgeen de longarts J.H.A.M. van den Bergh in zijn namens eiser ingezonden brieven heeft gesteld, in het thans bestreden besluit beslist dat eisers aanvraag van 27 maart 2002 dient te worden afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de medische vereisten die in de Wet worden gesteld en heeft het door eiser ingestelde bezwaar alsnog ongegrond verklaard.
In beroep is door eiser onder meer aangevoerd dat verweerster aan vorengenoemde brieven van de longarts J.H.A.M. van den Bergh onvoldoende betekenis heeft toegekend, omdat volgens deze longarts de bronchiëctasieën, welke eveneens zijn waargenomen door eisers behandelend longarts C.S. de Graaff, vrijwel zeker terug te voeren zijn op luchtweginfecties in de vroege jeugd en dat deze in de vorm van longklachten zoals eiser die heeft na 20 à 30 jaar nog kunnen optreden. Tevens heeft eiser een beroep gedaan op artikel 2, tweede lid, van de Wet, inzake de omkering van de bewijslast nu er andere voor de hand liggende verklaringen van eisers longklachten ontbreken.
De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt hij als volgt.
Gelet op hetgeen in de hierboven genoemde uitspraak van de Raad van 13 mei 2004 is overwogen heeft verweerster alsnog een medische heroverweging doen plaatsvinden met betrekking tot de vraag of de bij eiser sedert omstreeks 1997 bestaande longklachten in de vorm van chronische bronchitis en bronchiëctasieën (CARA) in causaal verband staan met zijn internering gedurende de eerste drie maanden van zijn leven in het kamp Soemobito.
Verweerster heeft in navolging van de adviezen van respectievelijk 30 juni 2004 en 2 december 2004 van haar geneeskundig adviseurs, de arts N.F. Vogel en de arts I.P.L. Koperberg, geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat eisers longklachten zijn toe te schrijven aan de omstandigheden waaraan hij gedurende de relatief korte internering in het kamp werd blootgesteld. Daarbij heeft verweerster tevens het standpunt van voornoemde geneeskundig adviseurs overgenomen dat het uit medisch oogpunt niet nodig was nog nader contact op te nemen met eisers behandelend huisarts of longarts en dat het niet zinvol werd geacht een expertise te vragen van een onafhankelijk medisch specialist omdat een dergelijke expertise geen enkel nieuw gegeven zou kunnen inbrengen.
De Raad merkt op dat in de brieven van 11 augustus en 30 september 2004 van longarts J.H.A.M. van den Bergh, verbonden aan het Medisch Centrum Alkmaar, naar voren komt dat er bij eiser sprake is van bronchiëctasieën welke bij het ontbreken van allergie vrijwel zeker zijn terug te voeren op luchtweginfecties in de vroege jeugd en dat bij ontbreken van een andere voor de hand liggende verklaring rekening gehouden moet worden met, dan wel als het meest waarschijnlijk geacht moet worden, een relatie met het verblijf in een oorlogskamp op jonge leeftijd. Aangegeven is dat het klinisch manifest worden van infecties ten gevolge van bronchiëctasieën soms pas na 20-30 jaar na ontstaan ervan optreedt.
Anders dan verweerster, maakt de Raad uit de verklaringen van de longarts Van den Bergh, voornoemd, op dat er zowel anamnestisch als bij onderzoek geen sprake is van een duidelijke andere oorzaak, zoals van verweersters zijde is gesteld, maar dat er sterke aanwijzingen zijn dat de verklaring voor de bronchus deformaties in een relatie met het verblijf in een oorlogskamp op jonge leeftijd gezocht moet worden. Voorts merkt de Raad op dat deze medisch-specialistische visie eveneens is terug te vinden in de zienswijze van de behandelend specialist van eiser, de longarts C.S. de Graaff, alsmede bij diens huisarts A.J.M. Groothuis.
Bij dit aanmerkelijke verschil in waardering van de mate van causaal verband van de bronchiëctasieën met het verblijf in een oorlogskamp op jonge leeftijd, laat de Raad de visie van een in longziekten gespecialiseerde arts zwaar wegen. De Raad is dan ook van oordeel, dat het, met name ook gelet op de omgekeerde bewijslast, neergelegd in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de weg van verweerster had gelegen om bij twijfel aan de juistheid van dat standpunt een nader objectief medisch specialistisch onderzoek te doen instellen.
Nu verweerster zulks heeft nagelaten acht de Raad het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat vergt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten. Dit brengt mee dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
De Raad acht termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 23,68 aan reiskosten.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond.
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de Pensioen- en Uitkeringsraad in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 23,68;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) P. van der Wal.

